5 september 2019

Nabijheid

Door Fons van den Boogert

Meestal ga ik ergens achterin zitten. Dan ben je minder zichtbaar. En ook sneller weg. Deze keer zat ik op de verder lege, achterste rij, met de liturgie op schoot in afwachting van het begin van de dienst. De laatste kerkgangers druppelden binnen. Het orgel stopte met spelen. Een voorzichtig ‘mag ik naast u komen zitten?’ klonk in de stilte die neergedaald was. ‘Natuurlijk’, antwoordde ik zachtjes. Hij ging zitten op de lege stoel naast me. Indachtig onze opdracht gastvrij te zijn, probeerde ik het belangstellend met een fluisterend: ‘Komt u hier geregeld?’. ‘Niet zo vaak, maar de rust die uitgaan van deze ruimte spreekt me aan en daarom kom ik hier. Ook omdat het bijzonder is dat deze diensten altijd doorgaan, of je actief aan die traditie bijdraagt of niet.’ Ik beaamde dit. Toevallig had ik op weg naar de kerk ook lopen kauwen op die gedachte: waarom ga ik naar de kerk. En ik kwam op ongeveer hetzelfde uit. Het uitnodigende gebaar dat uitgaat van een eeuwenoud gebruik dat mensen elke zondag bij elkaar brengt. Je kunt aanhaken of niet, het gaat gewoon door.

Ongemak

De dienst begon. Een beetje onwennig naast die lange jongeman die zo onverwacht aangeschoven was. Natuurlijk, ik zat op mijn eigen plek en niets hoefde, maar ik was me zeer bewust van zijn aanwezigheid. Wat ging er in hem om? Wist hij wat er komen ging, kende hij de liturgische gebruiken, de volgorde der dingen, de liederen? En daarbij, mijn eigen verlegenheid en reserves. Kon ik die nu ook gewoon de ruimte geven of moest ik omwille van hem nu juist mijn best doen. Niet elk lied zing ik zomaar mee. Eerst altijd even de tekst bekijken of ik ermee uit de voeten kan en dan ook nog maar zien of ik de noten kan volgen. Nee, dat was best even ongemakkelijk mijn houding te bepalen. Je zit per slot van rekening wel erg dicht op elkaar.

Prettige nabijheid

Het was, zo bleek, een kwestie van voelen, van aanvoelen. Enerzijds of hij op zijn gemak was. En anderzijds hoe ik er zelf bij zat. Opzij kijken zou te opzichtig zijn, me helemaal op mezelf concentreren ook. Dus ik schipperde wat, heen en weer, tussen mijn buurman en mezelf. Maar waar aanvankelijk een licht ongemak heerste, ontstond langzaam iets van een verstandhouding. Zijn aarzelend gezang ging goed samen met mijn zoekend meezingen. Tijdens de preek hield het me steeds minder bezig hoe de vrome en vermanende woorden overkwamen op deze betrekkelijke buitenstaander in wie ik me herkende. Meer en meer raakte ik gewend aan de gestalte naast me met wie ik de ruimte deelde. En toen er soms een lichte aanraking plaatsvond als gevolg van onze meer ontspannen houding op de relatief smalle stoelen bleek die niet storend. In de loop van de dienst ontwikkelde de aanwezigheid van mijn buurman zich tot een prettige nabijheid. Het Onze Vader kwam tenslotte onbevangen uit ons beider mond alsof we twee trouwe kerkgangers waren. Na de zegen nam hij met een hartelijke groet afscheid. Een verdere kennismaking kwam er niet van en zou op dat moment niet veel toegevoegd hebben. De terloopse nabijheid die zijn aanwezigheid had opgewekt was aangenaam genoeg. Ik dacht: wie weet is dat waarop we mogen hopen op de zondagmorgen.

Gerelateerd