Ik wil er gewoon zijn
Geschreven door Liesbeth Orthel‘Hé, daar komt iemand voor mij, maar ik weet niet meer wie het is.’ Lachend zwaait mijn vader naar me. Ik begroet hem met een zoen. ‘Hoi pap, ik ben Liesbeth’, zeg ik, ‘zullen we naar je kamer gaan?’ Tot mijn verrassing zie ik dat hij een mandala aan het inkleuren is. Iets waar hij enkele maanden geleden nog zijn neus voor ophaalde. Het is een ingewikkeld patroon en hij werkt er met grote precisie en concentratie aan, voor zover dat lukt. Dat laatste slaat vooral op zijn handen die hij steeds minder goed kan bewegen, zodat een stift vasthouden lastig wordt. ‘Zullen we naar je kamer’, vraag ik nog eens. Er lijkt niets te gebeuren. Net als ik nog een keer wil aandringen zie ik dat er toch iets in gang gezet is. Heel langzaam gaat hij rechtop zitten, klaar om zich op te duwen en te gaan staan. Ik zet de rollator naast de tafel, zodat hij meteen steun heeft. Daar gaan we. ‘Waar moet ik heen?’, vraagt hij. ‘Naar je kamer’, suggereer ik. ‘Rechtdoor de gang op, langs de boekenkast en dan de eerste kamer rechts’. Als we bij de boekenkast zijn staat hij stil en kijkt me schalks aan: ‘Dat is geen boekenkast, dat is een lift hoor’. Ik lach met hem mee. ‘Dat heb jij natuurlijk al lang in de gaten’, zeg ik. Hij knikt. ‘Waar moet ik heen’, vraagt hij weer. ‘We gaan naar je kamer, we zijn er bijna’. Als we verder lopen wijst hij zijn kamer aan: ‘Die deur is van mij’. We gaan samen naar binnen. ‘En nu?’ ‘Zullen we aan je tafel gaan zitten en wat lezen?’ Dat vindt hij een goed plan en hij begint aan de uitvoering. De zorg waar de rollator moet blijven los ik snel op. Ik pak het boek van Toon Tellegen en we gaan samen lezen. De verhaaltjes zijn niet zo eenvoudig, vaak best abstract. De eerste lees ik voor, maar hij neemt het al snel van me over. Onderwijl lachen we soms of reageert hij op wat hij leest: dat kan helemaal niet (over een pratende kast). Langzaam verstrijkt de tijd. We hebben het goed samen.
Ik wil er gewoon zijn
Zo gaat het ongeveer als ik naar mijn vader ga. Hij kent me niet meer bij naam. Vroeger dacht ik dat ik dat heel naar zou vinden. Maar gek genoeg boeit het me niet erg. Ik vind het veel moeilijker om te merken hoe hij zichzelf steeds opnieuw probeert te organiseren: wat moet ík doen; doe ik iets raars; waar dient dit voor? Grip houden is steeds lastiger. Tegelijkertijd geniet hij ook van zoveel dingen: de planten in zijn kamer, het zonlicht dat op de muur speelt, bezoek, aandacht, even naar buiten, samen wat doen, iets lekkers, yoga en muziek. Een gesprek is in het hier en nu, alles concreet. Soms kijkt hij je zo intens liefdevol aan dat je er vol van schiet. Soms is hij onverwacht spits met een taalgrapje zoals vroeger. En anders dan vroeger deelt hij nu wel eens een compliment uit. Natuurlijk is er onzekerheid en verdriet. ‘Dit was het dan’, woorden uit een moeilijke periode toen het echt niet goed ging. ‘Heb je er genoeg van?’, vroeg ik eens. ‘Van wat’, informeerde hij. ‘Nou, het leven?’. ‘Nee hoor’, dan heel beslist, ’ik wil er gewoon zijn’. Hij neemt het leven zoals het komt, altijd gedaan trouwens.
De meeste bezoekjes eindigen zoals ze beginnen, alleen in omgekeerde richting. Met evenveel vragen ondernemen we de tocht richting huiskamer, waar iedereen dan klaar zit voor het eten. Het ruikt lekker. Als het eten voor hem staat heeft dat meteen zijn volledige aandacht en besta ik niet meer. Mooi moment om op huis aan te gaan.
