Vluchtig én krachtig
Geschreven door Marthe de VriesMijmerend over het thema ‘Bevlogen’, vond ik het gedicht Bevlogen van Jean Pierre Rawie, dat begint met een prachtig beeld:
Ik weet niet zeker of het zwanen waren,
een najaarsnacht dat hun vleugelslag
in duizendvoud over het huis heen lag,
om pas tegen het daglicht te bedaren.
Die hele dag liep ik als uitverkoren,
of ik door engelen was aangeraakt.
Letterlijk en figuurlijk
Rawie combineert in dit gedicht de letterlijke en figuurlijke betekenis van het woord ‘bevlogen’: de vleugelslag van de zwanen en het gevoel dat hem dat gaf, uitverkoren en als door engelen aangeraakt. Het tilt hem op, inspireert hem en doet hem de woorden voor zijn gedicht vinden.
De vleugelslag van de zwanen wordt voor Rawie een aanraking van boven, een vonk van inspiratie. Het zwiepende geluid van de vele vleugels, de windstroom die ze veroorzaken strijkt langs hem heen, beroert hem. Het zijn allemaal beelden die in bijbelse verhalen ook voor dat ongrijpbare element van de Geest worden gebruikt: een wind die je dingen inblaast, als een goddelijke ademtocht; een duif die uit de hemel neerdaalt.
Een beeld dat zowel de vluchtigheid als de kracht van de werking van de Geest verbeeldt. Je voelt het duidelijk, je voelt je aangeraakt, maar het is ook ongrijpbaar en zo weer verdwenen, zoals Rawie in het vervolg van het gedicht ook betreurt. Hij kan het later niet meer terugvinden: ‘Maar hoeveel lege nachten zijn doorwaakt / waarin sindsdien geen wiekslag viel te horen?’
Ontvankelijk
Ineens blijken ‘bevlogenheid’ en ‘bevlieging’ heel dicht bij elkaar te liggen. Een bevlieging heeft altijd iets vluchtigs: even ben je heel erg intens met iets bezig, ben je heftig verliefd, volkomen fan of totaal betrokken. En even zo snel is het ook weer voorbij. De Geest lijkt dan niet te landen, het is een geest zonder hoofdletter.
Het is juist bij bevlogenheid dat de vleugelslag van boven voor een langere tijd met iemand verbonden wordt. Het is dan niet iets dat even langs strijkt, maar de aanraking verbindt zich met iets in de persoon zelf.
Misschien is het mooiste voorbeeld wel het verhaal van de doop van Jezus in de Jordaan: hij ontvangt bij die doop de Geest en in de versie van Lucas daalt dan ook een duif uit de hemel neer. Bij Jezus is die bevlogenheid geenszins van korte duur: het doortrekt zijn hele leven, het wordt de bron waaruit hij put. Hij verbindt die aanraking met de manier waarop hij in het leven staat.
Tijdens zijn leven waakt Jezus ervoor dat hij zijn ontvankelijkheid behoudt voor wat hem aangereikt wordt. Regelmatig trekt hij zich terug, weg van de drukte, in de stilte, als om opnieuw de vleugelslag te horen.
Paradox
Het geeft mooi de dubbele beweging van de bevlogenheid weer: het is iets dat je overkomt, een aanraking van buitenaf. Maar om meer dan een bevlieging te zijn, moet het verbonden worden met het wezenlijke in jezelf, zodat je het ook in je eigen leven gestalte kunt geven. Het moet je in je hart raken. En dat is voor iedereen verschillend. Om de bevlogenheid te behouden, is het belangrijk dat je ook ruimte zoekt om opnieuw ontvankelijk te worden.
Bevlogen mensen, die er helemaal voor anderen zijn of voor hun kunst leven, kunnen zich daarin ook verliezen, leeggezogen worden en daarmee ook die bevlogenheid kwijtraken. Het is de kunst om te weten wat je nodig hebt om opnieuw de vleugelslag te voelen en te ontvangen.
Het vraagt een bijzondere combinatie van ons: ontvankelijkheid en eigenheid. Een paradoxale spanning. Maar als het lukt om dat evenwicht te vinden, dan kan je het gevoel hebben, dat je – zoals Rawie schrijft – als door engelen aangeraakt wordt.
