Het gelaat van de ander en het appèl dat daarvan uitgaat
Geschreven door Fons KlaaseDe joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906 – 1995) spreekt over het verschijnen van de ander, over het menselijk gelaat en het appèl dat daarvan uitgaat. Wij worden aangesproken door het gelaat van de ander, zo zegt hij. Niet alleen door het gelaat van een bekende, vriend, familie, geliefde, maar juist ook door het anonieme gelaat. Het gelaat spreekt zachtjes, dringt zachtjes aan, werkt op ons in, doet een appèl op ons. Uiteraard kan ik dit appèl negeren door er letterlijk of figuurlijk mijn ogen voor te sluiten. Maar hoe dan ook, mijn hart wordt er wel onrustig van.
De onrust van ons hart
Dit doet mij denken aan kerkvader Augustinus (354-430 n.c.). Aan het begin van Boek 1 van zijn Belijdenissen staan de bekende woorden: ‘Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U.’ De Amerikaanse theoloog/filosoof John D. Caputo schrijft hierover in zijn boek Hopeloos Hoopvol. Belijdenissen van een postmoderne pelgrim. Hij zegt het zo: in het gelaat van de ander manifesteert zich het zachte, liefdevolle aandringen van God. Op deze wijze zijn wij allen kinderen Gods te noemen. De opdracht is dan ook: probeer in het gelaat van de ander dit appèl van God te zien.
Kleine zielen, grote zielen
Ik lees ‘De boeken der kleine zielen’ van Louis Couperus. De volgende passage valt mij op. Eensklaps ontmoetten Constances ogen die van Adolfine. En Constance zag niet de haat van Adolfine; Constance zag alleen haar zuster, vier jaren jonger dan zij, maar afgetobd door een druk, moeilijk leven, vol geldbeslommering, vol last van veeleisende, onaardige kinderen, zonder hulp bij haar man, Van Saetzema, hoofdcommies van het Departement van Justitie … Constance zag haar zuster mager, geel, opgevreten van zorg en bitterheid, in die bijna armoedige en toch pretentieuze rok, mantel, hoed, boa. En zij voelde, niettegenstaande haar meer en meer opkomende hoofdpijn, een diep medelijden, omdat Adolfine haar zuster was. Zij stond op en naderde Adolfine. (p.40)
Zie de mens!
Constance kijkt, ziet haar zuster in de ogen en ziet op dat moment niet de haat jegens haar in de ogen van haar zuster flikkeren, maar zij ziet daar dwars doorheen ̶ zo zou je kunnen zeggen ̶ God schemeren, God zachtjes aandringen. Er wordt een appèl op haar gedaan. Zie de mens! Zij ziet op dat moment een mens, haar eigen zuster, in grote nood.
In hoeverre ben ik zelf bevattelijk voor een dergelijk appèl?
Dit fragment uit het boek van Couperus raakt mij. En het geeft mij te denken, te denken over mijn eigen leven. Ik kan niet voor anderen spreken, maar zelf ervaar ik regelmatig mijn eigen ‘kleine ziel’. De vraag is nu: hoe is het gesteld met mijn ‘grote ziel’?? In hoeverre laat ik mij aanspreken door het gelaat van de ander? In hoeverre ben ik – net als Constance – in staat om, dwars door de mogelijke haat, boosheid, ergernis in de ogen van de ander, toch diens nood te zien?
